flash designed by J.Abraham



De wraak van kapitan Hasina

 

Het dorp Ullath op het eiland Saparua lag vroeger op een heuvel vlak bij het strand Neal
 aan de zuidbaai. In die tijd kwamen er regelmatig zeerovers aan land, die het voorzien
 hadden op de erfstukken van het dorp, of kinderen gijzelden. Daarom waren er dappere
 kapitans nodig, die de bevolking beschermden en niet bang waren de vijand met wapens
 te lijf te gaan.

 

Zo’n dappere kapitan was Hasina. Zijn onverschrokkenheid was in de wijde omtrek bekend.
 Hij was vooral gevreesd om zijn negendertig honden, zo groot als tijgers, die altijd hun baas
 hielpen als het moest en elke vijand aanvielen.

Op een dag vertrok een groep mensen uit Ullath naar Seram. Ze wilden er sagu kloppen in de
 dichte bossen en handelen met de kustbewoners. In het naburige dorp Ouw konden ze heel
 goed aardewerk maken, zoals kruiken, schalen en potten. Die konden op Seram meestal goed
 verruild worden voor voedsel.

 

Toen ze richting Hatusua voeren, een dorp aan de zuidkust van Seram, hadden ze niet in de
 gaten dat er ook bootjes uit twee andere dorpen op Saparua, Iha en Sirisori, waren vertrokken,
 met hetzelfde doel. Deze dorpen waren niet zo bevriend met Ullath. En toen ze de boot van Ullath in de gaten kregen, roeiden ze zo snel ze konden om eerder aan de overkant te zijn.

Ze landen bij Hatusua, liepen met hun handel naar het dorpsplein en riepen: ‘Kom, hier mensen!
 We hebben mooie sempe en donkere suiker! En wat dachten jullie van een goed mes, zelf
 gesmeed?’

 De mensen uit Hatusua kwamen nieuwsgierig aangelopen en waren erg kooplustig, want de
 verkopers deden hun waren weg voor een spotprijsje.
 Ondertussen waren de mannen uit Ullath bij Hatusua gearriveerd. Niets vermoedend legden ze
 hun prauw op het strand en trokken het bos in om sagu te kloppen.

 

De waren uit Sirisori en Iha waren snel uitverkocht en de mannen verdwenen direct daarna. Ze verkneuterden zich, omdat ze de mensen uit Ullath te slim af waren geweest. Toen ze langs
 de bosrand liepen om te proberen nog wat dieren buit te maken, troffen ze met een speer
 een kind uit Hatusua. Ze verstopten het lijk een veegden het bloed af aan de prauw uit Ullath, die ze op het strand zagen liggen. Ze stapten in hun boten en roeiden met volle kracht terug
 naar het eiland Saparua.

 

Toen de mensen uit Hatusua het kind misten, gingen ze overal zoeken. Tenslotte vonden ze
 de bloedsporen aan de prauw uit Ullath, waarna ze even later ook het lijkje vonden. Ze
 werden ontzettend kwaad en trokken met een grote groep gewapend in het bos om de daders
 te pakken.
 Daar vonden ze de mannen uit Ullath, die rustig sagu zaten te kloppen. Onder luid geschreeuw
 viel de troep aan. De mannen uit Ullath kregen geen kans om uit te leggen dat het een misverstand was, ze moesten zich met hand en tand verdedigen. Tenslotte konden ze ongedeerd het strand bereiken en wisten te ontkomen.

 

In Ullath gaf hun relaas grote opschudding. Hoe durfden die Alfoeren uit Seram hen zo te behandelen! Natuurlijk hadden Iha en Sirisori er weer mee te maken! Dat moest opgehelderd worden.

Er werd een vergadering belegd door de radja en de hele kwestie werd aan de bevolking voorgelegd. Ook de kapitans van het dorp waren aanwezig. En het was Hasina, die opstond en zei: ‘ Ik zal meegaan naar Hatusua, om ze een lesje te leren!’
 Nog meer mannen melden zich aan, tot ze een boot vol hadden. Hasina werd hoofd van de delegatie.
 Hij maakte in het geheim een machtig wapen klaar. Hij zocht een nest zwarte bijen die heel
 kwaadaardig kunnen zijn en stopte dat met bijen en al in een stenen kruik. Hij sloot de pot af
 met een laag bladeren en bond alles goed vast, zodat er niet één bij kon ontsnappen.

Deze kruik zette hij op de boot. Ze zeilden naar Seram en kwamen na enkele uren varen voor
 het dorp Hatusua. Ze waren op hun hoede, maar de mensen uit Hatusua bleken al gekalmeerd
 en ontvingen de groep op de normale manier. Daar kreeg Hasina de gelegenheid om alles
 uit te leggen.


 ‘En als teken van vriendschap geef ik jullie deze oude kruik cadeau’, zei hij. ‘Het is een
 bijzonder geschenk, dat mooie muziek zal maken, en het is voor jullie allemaal. Maar er
 zijn wel een paar voorschriften waar je je stipt aan moet houden:
 Ten eerste moet je er voorzichtig mee omgaan. De kruik mag niet kapot gaan. Ten tweede
 zullen jullie het geluid pas horen als jullie in één vertrek gaan met alle ramen, deuren
 en kieren dicht, anders zal het geluid van deze kostbare oude kruik ontsnappen.
 Ten derde moeten alle inwoners van Hatusua erbij zijn, zodat iedereen deelt in de
 gebeurtenis. Ten vierde mag de kruik niet geopend worden voordat wij weggevaren zijn.
 Pas als onze zeilen nog maar zo groot zijn als vlinders, mogen jullie hem open maken.
 Ten vijfde moeten jullie weten dat, als onze zeilen nog niet weg zijn, de schat naar ons
 terug zal komen. Dus wacht tot het juiste moment. Wij moeten nu gaan.’

 

 De mensen van Hatusua knikten en waren erg nieuwsgierig naar wat er in de kruik verborgen
 zat. Ze droegen hem naar het dorpshuis en begonnen alles dicht te stoppen, alle gaten, ramen
 en kieren. Iedereen hielp mee. Een jongetje werd teruggestuud naar het strand om te kijken
 of het schip van Hasina al ver genoeg was weggezeild. Het ventje wachtte en wachtte, net
 zo lang tot het zeil nog maar te zien was als een wit vlindertje aan de horizon.
 Hij rende zo hard hij kon naar het dorp en riep: ‘Het is een vlindertje! Het zeil is al een
 klein vlindertje!’ ‘Kom dan gauw binnen’, riep de radja dan kan de deur dicht.
 Toen was het grote ogenblik aangekomen. De wonderpot in het midden van de kamer
 mocht open. Iedereen hield zijn adem in toen de vezels werden losgeknoopt en de bladeren
 een voor een werden weggehaald.

 

En daar was de muziek, want luid zoemend ontsnapten honderden bijen uit de pot. Ze waren
 al een tijdje opgesloten geweest en zwermden op de mensen af. De bijen staken waar ze
 maar konden. Iedereen gilde van angst en pijn en probeerde zich in veiligheid te stellen.
 Het was paniek, want alle mensen renden naar de deur. Kinderen en oude mensen werden
 onder de voet gelopen, zo’n gedrang was het. De wraak van Hasina was een regelrechte ramp
 geworden, met dodelijke slachtoffers.

Gek van verdriet waren ze, de mensen van Hatusua, en woedend! Een man met magische
 krachten werd geroepen. Hem werd gevraagd waar de boot van Hasina was en of hij de
 thuishaven al bereikt had. De helderziende zag dat hij nog halverwege Hatusua en Ullath
 was. Hij riep een spreuk uit over zee, zodat de wind tot orkaankracht aanwakkerde en de
 stroom hen terug dreef naar Seram.
 Hasina en zijn mannen werden compleet overvallen door de plotseling opkomende storm. In een oogwenk groeiden de golven tot huizenhoogte en het bootje werd heen en weer geslingerd in het kolkende water.

Snel werd het zeil neergehaald en de mannen konden niets anders doen dan zich vasthouden aan de boot en maar afwachten waar de woedende zee hen heen voerde. Zo’n plotselinge orkaan! Dat was niet normaal meer!


 Ze merkten dat ze met grote snelheid de kust van Seram naderden. Hun laatste uur leek geslagen.Ze begrepen allemaal dat het een vergelding moest zijn voor de streek van Hasina! Dan moest Hasina er ook voor boeten.
 ‘Jij moet overboord!’riepen ze tegen Hasina boven het gebulder van de golven uit. ‘Dan gaat het misschien over!’
 ‘Ik begrijp het,’gaf Hasina toe, ‘maar bindt een kokosnoot aan mij vast!’Dat deden de mannen zo goed en zo kwaad dat ging, waarna ze Hasina overboord gooiden.
 Direkt was hij in de golven verdwenen. En warempel, daarna ging de wind inderdaad liggen en ook de zee werd kalmer. De uitgeputte mannen konden het zeil weer hijsen en de tocht naar Ullath voortzetten. Va Hasina was geen spoor meer te bekennen.
 Hasina was echter niet verdronken. Hij dobberde met zijn kokosnoot als reddingsverst op de hoge golven op en neer en probeerde zich al zwemmend in leven te houden.

 

De mensen uit Hatusua hadden vanaf het strand het hele gebeuren gevolgd en zagen nu hun kwelgeest hulpeloos in zee. Ze sprongen in groten getale de zee in om met hem af te rekenen. Maar plotseling dook naast Hasina een grote vis op, een haai. Hasina wist wel dat zulke vissen een mens aan kunnen vallen, vooral als ze bloed ruiken, maar hij wilde daar niet aan denken en riep: ‘Tete Kaluju, help me! Ik ben in nood! Kan jij me naar Ullath brengen?’

‘Kleinkind, wees niet bang’, zei de vis, ‘kom maar op mijn rug zitten, dan breng ik je terug naar Ullath.’Hasina klom zo vlug hij kon op de rug van de haai. Even later ging het in een flits door de golven, rechtstreeks naar het strand Neal. Toen ze in het ondiepe water waren aangekomen, liet de kaluju-vis Hasina afstappen. Maar ze hadden niet in de gaten dat het heel snel eb werd: de vis kon niet meer zwemmen.

 

Hasina deed wat hij kon om zijn helper terug in zee te duwen, maar het lukte niet. De vis versteende een eindje van het strand vandaan, waar hij als een rots bleef liggen.
 Hasina bleef wachten bij het strand en ging op een grote steen zitten. Deze steen bestaat nog steeds en wordt Batu Hasina genoemd. De voet- en handafdrukken van de kapitan staan erop.

Hasina tuurde de baai af en na een tijdje zag hij zijn boot de bocht om komen. Voordat de manne hem in de gaten kregen, keerde Hasina zich om en beklom de heuvel naar het dorp. Even later ging de boot aan land en ook de bemanning liep heuvelopwaarts om zich bij de dorpsraad te melden.

De radja vroeg naar het wel en wee van de mannen. Dezen vertelden over alles wat ze op Seram en op zee hadden meegemaakt. ‘Ja, en Hasina is dood’, zei de oudste van hen. ‘Zo is dat waar?’vroeg de radja.

 

‘Ja het is echt waar. Hij is ziek geworden en toen gestorven.’’Ik kan het bijna niet geloven’, zei de radja weer. ‘Je weet het zeker?’’Zeker! Hasina is echt dood.’

Verstoord stond de radja op en riep: ‘Hasina! Kom hier.’

De mannen waren compleet overdonderd. En ze vielen bijna flauw, toen inderdaad Hasina het vertrek binnen kwam. ‘Jullie hebben gelogen!’zei de radja streng, ‘en daarvoor zullen jullie gestraft worden.’

De mannen moesten om de beurt hun hoofd een poosje in de grote dorpstrom steken, terwijl daar flink tegen geslagen werd. Het dreunde zo, dat het bloed uit hun neus en oren kwam.

Ondertussen werd een spoedvergadering gehouden. Ze waren er van overtuigd, dat de bewoners van Hatusua de ramp met de bijen niet over hun kant zouden laten gaan. En ze bereidden zich voor op een aanval. De zes kapitans van het dorp namen elk de leiding over een troep. Kapitan Hasina nam, behalve negenendertig jonge mannen, ook zijn negenendertig afschrikwekkende rode honden mee. Alle posten rondom het dorp werden bezet. Hasina nam de voorste post voor z’n rekening, bij het strand Neal. Iedereen maakte zich gereed, in afwachting van de komst van de krijgers uit Hatusua.

En die kwamen! Vier kora-kora, volgepakt met mannen in volle oorlogsuitrusting, voeren de baai binnen.

Ze werden al van verre gesignaleerd, waarna Hasina het oorlogssignaal liet horen. Dat was het teken voor mensen die in de buurt van het strand woonden, snel weg te trekken, de berg op; voor de troepen het sein om klaar te staan. Nadat de mannen van Hatusua aan land gegaan waren, begonnen ze aan de tocht naar boven, in de richting van het dorp. Alleen een jongen bleef beneden om op de vier boten te passen.

 

Toen de troepen de hinderlaag van de eerste post genaderd waren, riep Hatusua: Ku-ku-ku-ku-ku.’Toen barstten zijn negenendertig rode honden los en doodden en verwonden vele mannen. De manschappen van Hasina deden de rest. Daarna werden drie boten van Hatusau vernietigd en met de vierde werd de jongen naar Seram teruggestuurd.

Hasina beval: ‘Ga terug naar Hatusua! En vertel dat kapitan Hasina jullie verslagen heeft! En zeg de mensen van jullie dorp dat niemand het ooit meer moet wagen hier te komen en Ullath aan te vallen! Mijn honden en mijn mannen zullen jullie verslaan, hoe sterk en hoe machtig jullie ook zijn!’

De vijandschap tussen Hatusua en Ullath bleef heel lang. Pas toen de mensen christen werden, zijn de dorpen met elkaar verzoend.


bron:      De boom vol schatten, vertellingen uit de Molukken.

uitgave: Steunpunt Edukatie Molukkers/Het Drentse Boek